Het is mogelijk om de volgende sport- en beweegactiviteiten inzichtelijk te maken:

  • Zwemmen

  • Fietsen

  • Verenigingssport

  • Vrijetijdsport

Je kunt één of meer van deze onderdelen invoeren. Hieronder staan de testonderdelen volledig beschreven.


Zwemmen

  1. Volgt het kind zwemles?

    Antwoordmogelijkheden:

    • Nee

    • Ja, via schoolzwemmen

    • Ja, buiten schooltijd

    • Ja, via schoolzwemmen en buiten schooltijd

  2. Welke zwemdiploma's heeft het kind?

    Antwoordmogelijkheden:

    • Geen diploma, kan niet zwemmen

    • Geen diploma, maar kan (goed) zwemmen

    • Zwemdiploma A

    • Zwemdiploma B

    • Zwemdiploma C

    • Meer


Fietsen

  1. Hoe vaardig kan het kind fietsen?
    Antwoordopties:

    • niet

    • op een loopfiets

    • op een driewieler

    • op een fiets met zijwielen

    • op een tweewieler (fiets)

    • zelfstandig in het verkeer


Verenigingssport

  1. Is het kind lid van een sportvereniging?

    • Nee

    • Ja

  2. Welke verenigingssport beoefent het kind?
    Antwoordmogelijkheden:

    Atletiek, Ballet, Boksen / Kickboksen, Dansen, Fitness / Conditietraining, Handbal, Hockey Judo / Jiu-Jitsu, Karate / Taekwondo, Klimsport, Paardensport, Tennis, Turnen / Gymnastiek, Voetbal, Volleybal, Wielrennen, Zwemmen, Overige balsporten, Overige duursporten, Overige krachtsporten, Overige racketsporten, Overige vechtsporten, Overige watersporten, Anders

  3. Van welke vereniging is het kind lid?

  4. Beoefent het kind een tweede verenigingssport? Zo ja, welke?

    Antwoordmogelijkheden: zie vraag 2

  5. Hoeveel tijd sport het kind binnen de vereniging(-en)?

    Antwoordmogelijkheden:

    • Niet

    • 1 uur per week

    • 2 uur per week

    • 3 uur per week

    • 4 uur per week

    • Meer dan 4 uur per week

  6. Heeft het kind een wenssport? Zo ja, welke?
    Antwoordmogelijkheden: zie vraag 2


Vrijetijdsport en beweging

  1. Sport het kind buiten schooltijd? Zo ja, hoe vaak?

    Antwoordmogelijkheden:

    • Niet

    • 1 - 5 keer per jaar

    • 5 – 11 keer per jaar

    • 1 – 2 keer per maand

    • 3 – 4 keer per maand

    • 2 uur per week

    • Meer dan 2 uur per week

  2. Speelt het kind buiten? Zo ja, hoe vaak?Niet

    Antwoordmogelijkheden:

    • 1 uur per week

    • 2 - 3 uren per week

    • 4 - 6 uren per week

    • 7 - 10 uren per week

    • 11 - 14 uren per week

    • 15 - 21 uren per week

    • Vaker

  3. Beweegt het kind op andere manieren, zoals wandelen, fietsen naar school, of de hond uit laten? Zo ja, hoe vaak?

    Antwoordmogelijkheden:

    • Niet

    • 1 uur per week

    • 2 uren per week

    • 3 uren per week

    • 4 uren per week

    • Meer dan 4 uren per week

Heb je het antwoord gevonden?