Algemeen

Deze vaardigheid laat bij een aantal kinderen geen lineair verloop zien. Er zijn kinderen die een wisselsprong wel beheersen, maar het huppelen niet. Voornamelijk jongens moeite met deze vaardigheid.

Allerlei complexe bewegingen hebben relaties met deze vaardigheden. Denk aan allerlei sprongen over kasten, bokken en paarden, de schoolslag, het touwtjespringen. En later het autorijden. 

Deze vaardigheidsfamilie bestaat uit een aantal verschillende vaardigheden:

  • het springen met twee benen tegelijk;
  • het huppelen;
  • de wisselsprong;
  • verschillende sprongen in combinatie met klappen;
  • touwtje springen.

Let op:

  1. elk sprong/kaats telt als 1 keer;
  2. deze vaardigheidslijn kan grillig zijn. Bijvoorbeeld: huppelen lukt niet, maar wisselsprong lukt wel. Probeer meerdere vaardigheden te observeren.  Als een vaardigheid lukt, test dan niet alleen een hoger niveau, maar ook het lagere. Voer het hoogste niveau in dat is behaald, maar noteer tevens welk niveau niet behaald is.
  3. Sommige kinderen zijn te zwaar en/of hebben te weinig sprongkracht om de beweging vaak genoeg te kunnen uitvoeren. Er zijn 3 manieren om voor deze kinderen een betere indruk te krijgen/meeting te doen: in ondiep water, op een zitbal, de docent ondersteund (bij kleine kinderen) of hangend aan de ringen.

Niveau -I 

Situatie

Voer de test uit op de grond of op een trampoline.

Instructie

Kun je op en neer springen (als een kangoeroe)?

Criteria

De voeten komen minimaal drie keer (ongelijk) los van de grond. Het kind springt trappelend.

Niveau 0

Situatie

Voer de test uit op de grond of op een trampoline.

Instructie

Kun je op en neer springen (als een kangoeroe)?

Criteria

De voeten komen minimaal drie keer (tegelijk) los van de grond. Het kind springt trappelend.

Niveau I en II

Situatie

Voer de test uit op de grond met twee halve deurmatten (52 x 19 cm) achter elkaar.

Instructie

Kun je op en af de mat springen?  Hoe vaak achter elkaar?

Criteria

De deze spreid-sluitsprong komen de voeten minimaal drie keer (tegelijk) los van de grond. Let op:

  • Bij ‘op’ moet er contact zijn met de matten;
  • Bij ‘af’ mag er geen contact zijn met de matten;
  • Er wordt achter elkaar ‘kaatsend’ gesprongen.

Niveau I = tussen de 6 en 11 keer, Niveau II = 12 keer of meer.

Niveau IV

Situatie

Voer de test uit bij een lijn/streep/lint op de grond. 

Instructie

Kun je wisselsprongen (over een lijn) maken?

Criteria

Het kind springt 16 keer (kaatsend) achter elkaar. De wisselsprong lukt niet indien het kind een stappende (en geen springende) beweging maakt, dan wel een soort loopbeweging of als het kind meedraait (45 graden) met de heupen. Het niet op de plaats blijven duidt op een evenwichtsprobleem, maar hoeft het kind niet worden aangerekend als "lukt niet". Let op: de sprongen mogen (erg) klein zijn!

Niveau V

Situatie

Voer de test uit op een vrije ruimte op de vloer.

Instructie

Kun je spreid-kruis sprongen maken (zonder wisseling van been)?

Criteria

Het kind springt 16 keer (kaatsend) achter elkaar. De benen moeten duidelijk voor het andere been langs kruisen.

Niveau VI

Situatie

Voer de test uit op een vrije ruimte op de vloer.

Instructie

Kun je spreid-kruis sprongen maken (met wisseling van been)?

Criteria

Het kind springt 16 keer (kaatsend) achter elkaar. De benen moeten duidelijk voor het andere been langs kruisen.

Niveau VII

Situatie

Voer de test uit op een vrije ruimte op de vloer.

Instructie

Kun je spreid-kruis sprongen maken (met wisseling van been) en met een klap op kruis?

Criteria

Het kind springt 16 keer (kaatsend) achter elkaar. De benen moeten duidelijk voor het andere been langs kruisen. Elke kruis moet er één keer worden geklapt.

Niveau VIII

Situatie

Voer de test uit op een vrije ruimte op de vloer.

Instructie

Start in de stand van de wisselsprong; één been voor en één been achter. Kun je wissel-wissel-spreid-sluit sprongen maken?

Criteria

Het kind springt 16 keer (kaatsend) achter elkaar.

Niveau IX

Situatie

Voer de test uit op een vrije ruimte op de vloer.

Instructie

Kun je spreid-kruis sprongen maken (met wisseling van been) en met een klap op spreid?

Criteria

Het kind springt 16 keer (kaatsend) achter elkaar. Elke spreid moet er één keer worden geklapt. 

Heeft u het antwoord gevonden?